Navigation Path: Home > De Europese Centrale Bank > Geschiedenis > Economische en Monetaire Unie
In juni 1988 bevestigde de Europese Raad de doelstelling van het verwezenlijken van de Economische en Monetaire Unie (EU) en gaf een door Jacques Delors - de toenmalige voorzitter van de Europese Commissie - voorgezeten Comité de opdracht een concreet stappenplan op te stellen dat tot deze eenwording zou moeten leiden.
Het Comité bestond uit de presidenten van de nationale centrale banken van de EG, Alexandre Lamfalussy, de toenmalige directeur-generaal van de Bank voor Internationale Betalingen; Niels Thygesen, professor in de Economie in Denemarken, en Miguel Boyer, de toenmalige President van de Banco Exterior de España.
In het resulterende “Delors-rapport” werd geadviseerd de economische en monetaire unie in drie afzonderlijke maar evolutionaire stappen te realiseren.
Op basis van het Delors-rapport besloot de Europese Raad in juni 1989 dat de eerste fase van de realisatie van de economische en monetaire unie op 1 juli 1990 zou moeten beginnen. Op deze datum werden in beginsel alle beperkingen op het vrije verkeer van kapitaal tussen lidstaten afgeschaft.
Het Comité van Presidenten van de centrale banken van de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap, dat sinds zijn oprichting in mei 1964 een steeds belangrijkere rol was gaan spelen op het gebied van monetaire samenwerking, kreeg aanvullende verantwoordelijkheden toegewezen. Deze werden op 12 maart 1990 vastgelegd in een Raadsbesluit. Deze nieuwe taken omvatten het overleggen over en bevorderen van de coördinatie op het gebied van het monetaire beleid van de lidstaten, met als doel het bereiken van prijsstabiliteit.
Gezien de relatief korte tijd die beschikbaar was en de complexiteit van de betreffende taken startte het Comité van Presidenten tevens met de voorbereidende werkzaamheden voor de derde fase van de Economische en Monetaire Unie (EMU). De eerste stap bestond uit het inventariseren van alle zaken die in een vroeg stadium dienden te worden onderzocht, het opstellen van een werkschema vóór eind 1993, en het aan de hand daarvan bepalen van de taken van de bestaande subcomités en de voor dat doel speciaal opgerichte werkgroepen.
Voor het realiseren van de tweede en derde fase bleek het nodig het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (het “Verdrag van Rome”) te wijzigen, om zodoende de vereiste institutionele structuur te creëren. Daartoe werd een Intergouvernementele Conferentie over de EMU bijeengeroepen, die in 1991 werd gehouden tegelijkertijd met de Intergouvernementele Conferentie over de politieke eenwording.
De onderhandelingen resulteerden in het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat in december 1991 werd overeengekomen en op 7 februari 1992 in Maastricht werd ondertekend. Door vertragingen bij de ratificatie trad het Verdrag (dat een amendement vormt op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap - waarbij de naam is veranderd in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap - en waarbij onder andere het Protocol betreffende de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank ( pdf 200 kB, nl) en het Protocol betreffende de Statuten van het Europees Monetair Instituut werden toegevoegd) echter pas op 1 november 1993 in werking.
Bovenkant paginaDe oprichting van het Europees Monetair Instituut (EMI) op 1 januari 1994 markeerde het begin van de tweede fase van de EMU en het Comité van Presidenten hield daarmee op te bestaan. Het tijdelijke bestaan van het EMI was tevens een weerspiegeling van de stand van monetaire integratie binnen de Gemeenschap. Het EMI droeg geen verantwoordelijkheid voor het voeren van het monetaire beleid in de Europese Unie - dit bleef voorbehouden aan de nationale autoriteiten - noch had het de bevoegdheid interventies op de valutamarkt te verrichten.
De twee belangrijkste taken van het EMI waren:
Het EMI bood in dit kader een forum voor overleg en het uitwisselen van ideeën en informatie over beleidsaangelegenheden, en zorgde voor de uitwerking van het vereiste juridische, organisatorische en logistieke kader dat het ESCB nodig had voor het vervullen van zijn taken in de derde fase.
Het voorbereidende werk door het EMI
In december 1995 besloot de Europese Raad de aan het begin van de derde fase in te voeren gemeenschappelijke munt “euro” te noemen, en bevestigde dat de derde fase van de EMU op 1 januari 1999 zou beginnen. Van tevoren werd een chronologische volgorde van gebeurtenissen aangegeven voor de overgang op de euro. Dit scenario was hoofdzakelijk gebaseerd op door het EMI uitgewerkte gedetailleerde voorstellen.
Tegelijkertijd kreeg het EMI de taak voorbereidende werkzaamheden te verrichten inzake de toekomstige monetaire en wisselkoersverhoudingen tussen het eurogebied en de overige EU-landen. In december 1996 presenteerde het EMI haar rapport aan de Europese Raad, dat de basis vormde voor een resolutie van de Europese Raad inzake de beginselen en fundamentele elementen van het nieuwe wisselkoersmechanisme (ERM II), welke resolutie in juni 1997 werd aangenomen.
In december 1996 presenteerde het EMI aan de Europese Raad, en vervolgens aan het publiek, de geselecteerde ontwerpen voor de op 1 januari 2002 in omloop te brengen eurobankbiljetten.
Ter aanvulling op en ter uitwerking van de bepalingen in het Verdrag inzake de EMU hechtte de Europese Raad in juni 1997 zijn goedkeuring aan het Pact voor Stabiliteit en Groei, hetgeen tot doel heeft de begrotingsdiscipline met betrekking tot de EMU te waarborgen. Het Pact werd vervolgens aangevuld, en de betreffende bepalingen versterkt, door een Verklaring van de Raad in mei 1998.
Op 2 mei 1998 besloot de Raad van de Europese Unie - in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders - unaniem dat elf lidstaten hadden voldaan aan de vereisten voor deelname aan de derde fase van de EMU en voor de invoering van de gemeenschappelijke munt op 1 januari 1999. De eerste deelnemers waren België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Finland. De staatshoofden en regeringsleiders bereikten verder politieke overeenstemming ten aanzien van de personen die voor benoeming tot lid van de Directie van de Europese Centrale Bank (ECB) zouden worden voorgedragen.
De ministers van Financiën van de lidstaten die de euro invoerden kwamen eveneens in mei 1998 met de presidenten van de nationale centrale banken van deze lidstaten, de Europese Commissie en het EMI overeen dat de toen geldende bilaterale spilkoersen binnen het ERM van de valuta's van de deelnemende lidstaten zouden worden gebruikt bij het bepalen van de onherroepelijke omrekeningskoersen voor de euro.
Op 25 mei 1998 kozen de regeringen van de elf deelnemende lidstaten de President, de Vice-President en de vier overige leden van de Directie van de ECB. Hun benoemingen werden per 1 juni 1998 van kracht en markeerden de oprichting van de ECB. De ECB en de elf nationale centrale banken van de deelnemende lidstaten vormen het zogenoemde Eurosysteem, dat het gemeenschappelijke monetaire beleid in de derde fase van de EMU bepaalt.
Met de oprichting van de ECB op 1 juni 1998 had het EMI zijn taak volbracht. Overeenkomstig artikel 123 (ex artikel 109 L) van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap ging het EMI bij de oprichting van de ECB in liquidatie. Alle aan het EMI toevertrouwde voorbereidende werkzaamheden werden tijdig afgerond en de rest van 1998 werd door de ECB gebruikt voor het eindtesten van systemen en procedures.
Bovenkant paginaOp 1 januari 1999 begon de derde en laatste fase van de EMU met de onherroepelijke vaststelling van de wisselkoersen van de valuta's van de aanvankelijk elf aan de Monetaire Unie deelnemende lidstaten, en met het voeren van een gemeenschappelijk monetair beleid onder de verantwoordelijkheid van de ECB.
Het aantal deelnemende lidstaten steeg naar twaalf op 1 januari 2001, toen Griekenland begon aan de derde fase van de EMU. Slovenië werd op 1 januari 2007 het dertiende lid van het eurogebied, gevolgd door Cyprus en Malta op 1 januari 2008 en door Slowakije op 1 januari 2009. Op de dag dat elk land toetrad tot het eurogebied werd de centrale bank van dat land automatisch lid van het Eurosysteem.
Bovenkant pagina